Olie voeren aan paarden: Terechte Trend of Riskante Rage?

In hoeverre zijn paarden in staat om toegevoegde oliën te verteren, zonder negatieve effecten op de spijsvertering te ervaren?


Nieuwe informatie uit Duitsland

Begin 2020 heb ik een zeer interessante cursus over paardenvoeding gevolgd bij de Duitse dr. Christina Fritz.

Dr. Fritz is bioloog van oorsprong en heeft zeer veel onderzoek gedaan naar wat gezonde paardenvoeding inhoudt. Daaruit voortvloeiend heeft ze meerdere boeken geschreven over deze thema’s en geeft ze (digitale) cursussen over paardenvoeding met wetenschappelijke onderbouwing. In de cursus die ik heb gevolgd komen veel onderwerpen aan bod die nieuw zijn voor Nederlandse begrippen.


Één onderwerp in het bijzonder trok mijn aandacht en zorgde voor de behoefte om nader onderzoek te doen, aangezien er over dit onderwerp nogal wat tegenstrijdige berichten te vinden zijn. De vraag waarop ik verder ben gaan zoeken is zodoende:


In hoeverre zijn paarden in staat om toegevoegde oliën te verteren, zonder negatieve effecten op de spijsvertering te ervaren?


Voerbehoefte van het oerpaard

Paarden zijn herbivoren, met vezels als belangrijkste voedingsbron. Vetten en eiwitten worden door paarden voornamelijk gebruikt als bouwstof en niet persé als energiebron. In de loop van de evolutie is het paard nog nooit met grote hoeveelheden vet in aanraking gekomen (Fritz, 2013).


In hooi zit ongeveer één tot tweeënhalf procent ruw vet. Uit onderzoeken is bekend dat paarden tot 25 kilo hooi per dag als absoluut maximum kunnen eten (Fritz, z.d.).

Rekening houdend met het droge stof gehalte hebben we het over maximaal 22,5 kilo hooi aan droge stof. Bij een maximaal gehalte van tweeënhalf procent ruw vet kan men ervan uitgaan dat een paard dat 25 kilo hooi per dag eet, ongeveer 562,5 gram ruw vet binnenkrijgt. Deze vetten worden van nature langzaam opgenomen en verdeeld over vierentwintig uur, maar wat nou als een eigenaar een grotere hoeveelheid olie in in één voerbeurt toevoegt? Het effect hiervan is volgens Dr. Fritz alsof je een hele vette afwas doet in een sopje zonder afwasmiddel; je kan schrobben wat je wilt, maar uiteindelijk is er niks écht schoon en zit om alle vaat een olielaagje.


Vertering van olie in het paard

In het eerste deel van de dunne darm (het duodenum) komen de alvleesklier en de lever uit en worden gal en alvleeskliersappen uitgescheiden. Omdat het paard geen galblaas heeft, komt al het gal dat een paard aanmaakt direct in de dunne darm terecht. Gal bevat galzuren en galzouten. Met name de galzouten zorgen voor het wateroplosbaar maken van vetten en vetzuren, zodat enzymen hun werk kunnen doen. Alvleeskliersap bevat onder andere het enzym lipase wat zorgt voor de vertering van vetten.


Volgens Dr. Fritz (2013) wordt er te weinig gal aangemaakt om een scheut olie goed te kunnen emulgeren. Hierdoor wordt de gevoerde olie niet voldoende wateroplosbaar gemaakt, vervolgens niet voldoende afgebroken door lipase en als gevolg hiervan door het lichaam gezien als ‘gifstof’ die via de huid moet worden uitgescheiden. Volgens Dr. Fritz is dát de reden dat de vacht mooi gaat glanzen van het voeren van olie.


De efficiëntie van de vetvertering is afhankelijk van de grootte van de vetdruppels; hoe kleiner de vetdruppels, hoe efficiënter het verteringsproces door de lipasen.

Doe (denkbeeldig) water en olie in een glazen potje met een klein beetje afwasmiddel. Wanneer je het potje kort schudt en weer neerzet stijgen relatief grote vetdruppels weer op naar de oppervlakte. Hoe langer je het potje schudt, hoe kleiner deze vetdruppels worden, totdat ze op een gegeven moment zo klein zijn dat er een homogene vloeistof ontstaat.


De dunne darm van het paard heeft slechts 45-90 minuten voor dit proces. Hoe meer vet er aan het voer wordt toegevoegd, hoe groter het risico dat deze vetten niet voldoende geëmulgeerd kunnen worden, vooral omdat naast de toegevoegde vetten ook de reeds in het voer aanwezige vetten verteerd moeten worden.


Het probleem van olie toevoegen aan het paardendieet

Olie verstoord volgens Dr. Fritz (2013) de opname van andere voedingsstoffen via de darmwand. Door de olie(film)laag die om andere nutriënten heen gaat liggen kunnen de spijsverteringsenzymen hun werk niet goed uitvoeren. Hierdoor wordt de totale nutriënten opbrengst van al het gevoerde voer verminderd. Daarnaast beschadigd onverteerde olie, die in de dikke darm terecht komt, de darmflora. Kortom: olie voeren aan paarden is niet verstandig volgens dr. Fritz.


Dr. Fritz refereert op haar website naar het boek van Geor en Harris (2013) voor meer informatie over de wetenschappelijke status van oliën/vetten in voeding. Voor meer informatie ben ik zodoende dit (zeer uitgebreide) boek ingedoken.

Het hoofdstuk over “vetten” begint met de volgende kanttekening: “Er is geen uitgebreid onderzoek gedaan naar de mechanismen van vetvertering en -opname bij paarden. Hoewel het basisproces waarschijnlijk bij alle dieren vergelijkbaar is, heeft het beschikbare onderzoek enkele aspecten gevonden die uniek zijn voor paarden” (Warren & Vineyard, 2013). Bijzonder is uiteraard dat paarden geen galblaas hebben en zodoende is de vetvetering van paarden niet 100% vergelijkbaar met die van andere dieren mét galblaas.


Net als Dr. Fritz zeggen Warren & Vineyard (2013) dat vetten, die niet in dunne darm worden verteerd, de microbiële fermentatie in de dikke darm zullen verstoren. Ook zeggen ze dat uit uitgebreid onderzoek bij herkauwers kan worden aangenomen dat de negatieve invloed van vetten op de vertering van vezels het gevolg is van de olie(film)laag over de vezels (Hess et al 2008). Het type vet is hierbij ook relevant. Aangetoond is dat onverzadigde vetzuren grotere antimicrobiële effecten hebben in vergelijking met verzadigde vetzuren (Hess et al., 2008). Vermoedelijk zouden dezelfde gebeurtenissen plaatsvinden in de dikke darm van paarden, maar we weten dat de spijsvertering van herkauwers niet één op één te vergelijken is met die van paarden, dus deze conclusie kan niet direct worden aangenomen voor het paard.



Natuurlijk voorkomende vetten VS toegevoegde vetbronnen

Een zeer interessante passage, die ik niet heb teruggevonden in de informatie van Dr. Fritz is de volgende: “de (lage) hoeveelheden vetten die van nature voorkomen in ruwvoer en graan lijken het moeilijkst te zijn voor paarden om te extraheren. De schijnbare verteerbaarheid varieert tussen de 5-57% voor ruwvoer (Fonnesbeck et al., 1967; Sturgeon et al., 2000) en 55-76% voor granen (Hintz & Schryver., 1989).”


Opvallend is dat diëten die zijn áángevuld met verschillende soorten vetbronnen (ofwel dierlijk vet ofwel plantaardige oliën) daarentegen een veel hogere schijnbare verteerbaarheid laten zien, namelijk tussen de 64-96% (Bush et al., 2001; Kane et al., 1979; McCann et al., 1987; Rich et al., 1981; Swinney et al., 1995). Uit een samengesteld onderzoek van de gegevens van vijf verschillende studies bleek zelfs dat de daadwerkelijke verteerbaarheid van toegevoegde vetten bijna 100% was (Kronfeld et al., 2004).


De reden voor het verschil in verteerbaarheid van natuurlijk voorkomende vetten versus toegevoegde vetbronnen komt waarschijnlijk doordat dierlijke vetten en plantaardige oliën, die aan paardenvoeding worden toegevoegd, meestal worden toegevoegd in de vorm van vrije triacylglycerolen. De vetten in ruwvoer en granen zijn omgeven door plantaardige celwandcomponenten die de opname in de dunne darm kunnen vertragen of voorkomen (Geor & Harris, 2013).


Verteerbaarheid afhankelijk van type olie

De onderzoeken die worden besproken in Geor en Harris (2013) vinden, in tegenstelling tot Dr. Fritz’s standpunt, weinig associatieve effecten voor de toevoeging van verschillende soorten vetten op de verteerbaarheid van bijvoorbeeld vezels. De mate van verteerbaarheid bleek wel afhankelijk van het type olie. Hierbij kwam met name sojaolie negatief uit de bus, maar ook hier gaat het weer om vrije hoge percentages (rond de 20% vet), bij lagere percentages (5-13%) werd dit negatieve effect op de vezelvertering niet gevonden (Godoi et al 2009, Morgado et al 2009). Om mogelijke negatieve effecten op de vezelvertering te voorkomen, adviseert de National Research Council (2007) een bovengrens van 35 g/kg DS wanneer vet wordt aangevuld in de vorm van sojaolie.


Het mechanisme waardoor specifiek sojaolie de vertering van vezels lijkt te onderdrukken en andere type oliën niet, is onbekend. Een hogere stroming van galzuren of vetzuren in de dikke darm is waarschijnlijk niet betrokken (Jansen et al., 2007). Een recente meta-analyse van 22 onderzoeken wees uit dat diëten met toegevoegd vet (15,5 tot 217,5 g/kg DS) geen effect hebben op de vertering van ruw eiwit of NDF, maar wel tot een significante afname van de ADF-verteerbaarheid (Sales & Homolka, 2011). Aangezien ADF over het algemeen de minst verteerbare vezel is voor het paard, is deze constatering weinig relevant.


Gesteld wordt door Kronfeld et al. (2004) dat diëten met een bovengrens van maximaal 230 g/kg DS toegevoegde maïsolie, pindaolie, talg en dierlijk-plantaardige vetmengsels acceptabel lijken te zijn voor paarden, zónder de vertering van droge stof, ruw eiwit of vezels negatief te beïnvloeden. Voor sojaolie wordt wel duidelijk een waarschuwing afgegeven. Bij hogere percentages sojaolie (rond de 20%) kan, zoals dr. Fritz ook suggereert, het risico op spijsverteringsstoornissen worden vergroot, de microbiële fermentatie van vezels in de dikke darm worden verstoort en/of de calciumabsorptie uit voeding worden vermindert.


Vitamines en mineralen

Uit een onderzoek met volwassen paarden en pony's is gebleken dat de opname van calcium, fosfor en magnesium grotendeels niet wordt beïnvloed bij vetinnames tot 80-98 g/kg DS (Meyer et al., 1997). Aanvullend onderzoek is nodig om de impact die een vetrijk dieet heeft op de opname van calcium en andere mineralen bij jonge, opgroeiende paarden te verduidelijken, aangezien het wel mogelijk is dat de opname van mineralen afneemt door de aanwezigheid van olie in de dunne darm volgens Geor en Harris (2013). De invloed van olie op de opname van vitamines is bij paarden nog niet direct onderzocht. Dit heeft volgens Geor en Harris (2013) wel nader onderzoek nodig, vooral omdat het de eisen met betrekking tot vetoplosbare vitamines in voeding hoog in vetten zou kunnen veranderen (Geor & Harris, 2013).


(Voorlopige) conclusie

De negatieve effecten waarover Dr. Fritz spreekt lijken voornamelijk betrekking te hebben op sojaolie specifiek. Daarvoor geeft het boek Equine Applied and Clinical nutrition eveneens de waarschuwing om terughoudend te zijn met het voeren van sojaolie, om dezelfde redenen die Dr. Fritz aanhaalt.


Maar daar waar Dr. Fritz (z.d.) zegt dat een scheutje toegevoegde olie al problemen zal veroorzaken, wordt door Geor en Harris (2013) gesproken over een maximale hoeveelheid van 100 g/kg DS die gevoerd kan worden zónder dat de vertering van droge stof, ruw eiwit, vezels of mineralen negatief wordt beïnvloed (met uitzondering van sojaolie, daarvoor geldt 35 g/kg DS).


Tussen ‘een scheutje’ en 100 g/kg DS zit een enorm verschil. Ik heb dr. Fritz. zodoende een e-mail gestuurd, omdat ik heel benieuwd was naar haar reactie hierop.


Reactie Dr. Fritz

"Concerning those studies you have to keep in mind that researchers always only look at a small window of information when they perform those studies, in regard to timeframe and outcome. So they feed oil to a horse for 4 weeks and look at the performance during this time. Or they add oil in different amounts over 2 weeks and measure blood parameters.

They never look at the „whole horse" picture and certainly don’t monitor the horses over a period of 20 years with this kind of feeding.


Some years ago I heard a lecture by Prof. Coenen about the feeding of oil to horses and he spoke strictly against it. He emphasized on the fact that even under experimental situations, you cannot provoke a fat deficiency in horses, since their roughage is so rich in fatty acids and also the gut microbiome produces several essential fatty acids in abundance. If you can’t get a horse into a deficiency, you should always strongly question the use of feeding this nutrient.

He also pointed out several times that adding oils to the ration disturbs the hindgut microbiome (the microbiome being a thing that most researchers looking at small-intestine-digestible feed also ignore, we have seen this over the last 30 years with their research into grainfeeding, too) and thus long term (which is not monitored during feeding studies, they usually just look at periods of several weeks to 6 months at most) leads to a whole bunch of health problems.

Interestingly, most researchers in the audience completely ignored his statements, discussing only the maximum amount of oil that you might add to a ration, before the horses would develop diarrhea. Although he specifically said that from a metabolic standpoint, feeding oil is pointless and longterm might even be harmful.

So there are a few people in the horse-feeding research area that are against oil feeding, most are totally pro, always looking for ways to prove how good feeding oil is. Hardly any research is going on to prove that it is useless or harmful. Which you understand once you know that the feeding research is largely funded by the horse feed industry and they certainly are not interested in showing that everything they sell is not just a waste of money, but even harmful for horses.


My approach usually is to take a look at wild horses. Have you ever seen a wild horse drinking oil? Feeding on animal carcass fat deposits? Eating large amounts of fat plant seeds like eating a bunch of sunflowers? I would not think so. Horses evolved over a period of approximately 50 million years without anybody adding 250g of oil per meal.

Hay usually contains 1-2,5% of crude fat, that means 10kg of hay contain 100 - 250g of fat. Those are ingested in small amounts over 24h, so yes, this amount of fat can be digested, but only if you spread the feeding over this long period of time and also the oils are bound within the seeds and not pure oil. If horses were made out to eat large amounts of fat in one portion, they would have developed a gallbladder during evolution. Still, they have not."


Afronding

Als je tot hier nog steeds aan het lezen bent, respect! Ik ben super benieuwd wat jij vindt van deze materie en of je voortaan nog steeds bewust olie blijft voeren aan je paard of toch niet?


Liefs,

Shelley



Literatuurlijst


Bush, J. A., Freeman, D. E., Kline, K. H., Merchen, N. R., & Fahey, G. C. (2001). Dietary fat supplementation effects on in vitro nutrient disappearance and in vivo nutrient intake and total tract digestibility by horses. Journal of Animal Science, 79(1), 232. https://doi.org/10.2527/2001.791232x


Fonnesbeck, P. V., Lydman, R. K., Vander Noot, G. W., & Symons, L. D. (1967). Digestibility of the Proximate Nutrients of Forage by Horses. Journal of Animal Science, 26(5), 1039–1045. https://doi.org/10.2527/jas1967.2651039x


Fritz, C. (z.d.). „Ölfütterung ist ungesund!“ Was sagen die Fakten? Sanoanimal. Geraadpleegd op 20 augustus 2021, van https://wissen.sanoanimal.de/2021/03/04/oelfuetterung-ist-ungesund-was-sagen-die-fakten/


Fritz, C. (2013). Pferde fit füttern. Beltz Verlag.


Geor, R., & Harris, P. (2013). Equine Applied and Clinical Nutrition (1ste ed.). Saunders.


Hess, B. W., Moss, G. E., & Rule, D. C. (2008). A decade of developments in the area of fat supplementation research with beef cattle and sheep1. Journal of Animal Science, 86(suppl_14), E188–E204. https://doi.org/10.2527/jas.2007-0546


Hintz, H. F., Schryver, F. F. (1989). Digestibility of various sources of fat by horses. Syracuse, NY. Proceedings of the Cornell Nutrition Conference for Feed Manufacturers, 44–48.


Jansen, W., Oldruitenborgh-Oosterbaan, M. S. V., Cone, J., De Vries, H., Hallebeek, J., Hovenier, R., Van der Kuilen, J., Huurdeman, C., Verstappen, D., Gresnigt, M., & Beynen, A. (2007). Studies on the mechanism by which a high intake of soybean oil depresses the apparent digestibility of fibre in horses. Animal Feed Science and Technology, 138(3–4), 298–308. https://doi.org/10.1016/j.anifeedsci.2006.11.019


Kane, E., Baker, J. P., & Bull, L. S. (1979). Utilization of a Corn Oil Supplemented Diet by the Pony. Journal of Animal Science, 48(6), 1379–1384. https://doi.org/10.2527/jas1979.4861379x


Kronfeld, D. S., Holland, J. L., Rich, G. A., Meacham, T. N., Fontenot, J. P., Sklan, D. J., & Harris, P. A. (2004). Fat digestibility in Equus caballus follows increasing first-order kinetics1. Journal of Animal Science, 82(6), 1773–1780. https://doi.org/10.2527/2004.8261773x


Kronfeld, D. S. (2010). Dietary fat affects heat production and other variables of equine performance, under hot and humid conditions. Equine Veterinary Journal, 28(S22), 24–34. https://doi.org/10.1111/j.2042-3306.1996.tb05028.x


McCann, J. S., Meacham, T. N., & Fontenot, J. P. (1987b). Energy Utilization and Blood Traits of Ponies Fed Fat-Supplemented Diets. Journal of Animal Science, 65(4), 1019–1026. https://doi.org/10.2527/jas1987.6541019x

Meyer, H., Flothow, C., & Radicke, S. (1997). Preileal digestibility of coconut fat and soybean oil in horses and their influence on metabolites of microbial origin of the proximal digestive tract1). Archiv für Tierernaehrung, 50(1), 63–74. https://doi.org/10.1080/17450399709386119


National Research Council, Studies, D. E. L., Resources, B. A. N., Horses, C. N. R., & Council, N. R. (2007). Nutrient Requirements of Horses. Amsterdam University Press.


Rich, G. A., Fontenot, J. P., & Meacham, T. N. (1981). Digestibility of animal, vegetable and blended fats by equine. Equine Nutrition and Physiology Society, 30–36.


Sales, J., & Homolka, P. (2011). A meta-analysis of the effects of supplemental dietary fat on protein and fibre digestibility in the horse. Livestock Science, 136(2–3), 55–63. https://doi.org/10.1016/j.livsci.2010.07.019


Sturgeon, L., Baker, L., Pipkin, J., Haliburton, J., & Chirase, N. (2000). The digestibility and mineral availability of Matua, Bermuda grass, and alfalfa hay in mature horses. Journal of Equine Veterinary Science, 20(1), 45–48. https://doi.org/10.1016/s0737-0806(00)80320-2


Voervergelijk. (2021). Paardenvoer vergelijken: dé vergelijkingssite voor paardenvoer. http://www.voervergelijk.nl/


Warren, L. K., & Vineyard, K. R. (2013). Fat and fatty acids. Equine applied and clinical nutrition, 136-155.

159 weergaven0 opmerkingen